Publicatie seminar over globalisering

Denktank Prospect organiseerde op 27 mei samen met het ministerie van Economische Zaken het seminar 'Globalisering: collectief vertrouwen en draagvlak'. Onderstaande publicatie is de uitkomst van deze brainstorm van veertig talentvolle denkers uit het netwerk van Prospect en Economische Zaken, inclusief concrete voorstellen hoe Nederland om dient te gaan met globalisering - ook voorbij de crisis.


 

Hoe houdt Nederland zich staande in een platte wereld?

 

Dilemma’s en antwoorden op het globaliseringsproces
(onderaan in bullets)

Ondanks de huidige crisis zet de trend van globalisering zich in de 21ste eeuw onverminderd door. Weliswaar heeft de wereldhandel te lijden gehad onder de crisis, maar onder politici en beleidsmakers blijft het vizier gericht op meer en niet minder liberalisering. Handel biedt nu eenmaal voordelen, helemaal voor een kleine, open economie als Nederland.

Wat zijn de kansen en uitdagingen van globalisering, voorbij de crisis? Hoe moet Nederland zich positioneren in een wereld van verschuivende machtsverhoudingen? Veertig jonge denkers uit het netwerk van Prospect en het ministerie van Economische Zaken zijn in mei 2009 bijeengekomen om deze cruciale vragen te beantwoorden. De dilemma’s van, en de oplossingen voor globalisering die zij hebben geschetst, vormen de kern van dit artikel.

Tekst: Joop Hazenberg

10 augustus 2009

 


De verschuivingen

Een belangrijke ontwikkeling binnen de trend van globalisering zijn verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen, voornamelijk van West naar Oost. Opkomende economieën en ontwikkelingslanden zijn al jaren verantwoordelijk voor tweederde van de wereldwijde economische groei. In 2030 kan China de grootste economie ter wereld zijn. Economische grootte en macht vereist dat Westerse landen met een andere blik naar landen als China en India gaan kijken. Daarnaast is het belangrijk dat deze landen op het terrein van multilaterale samenwerking hun verantwoordelijkheid nemen. Hiervoor moet dan wel platform geboden worden. Zo dringen de BRIC’s (Brazilië, China, Rusland en India) publiekelijk aan op erkenning van hun positie in internationale instellingen, zoals het IMF.



Wat betekenen deze machtsverschuivingen voor Nederland? Het kleine landje maakt qua inwonertal slechts 0,0024 procent uit van de wereldbevolking, maar is wel de zestiende economie in de wereld. Nederland is een grote speler op het gebied van internationale investeringen. Als handelsnatie en port of Europe is Nederland buitengewoon gevoelig voor het globaliseringsproces, ook in tijden van crisis waarin inkomsten uit exporten en importen hard teruglopen.

Terwijl politici en beleidsmakers naarstig zoeken naar oplossingen om bestaande financiële en economische structuren staande te houden en waar nodig te verbeteren met toezicht- en reguleringsmaatregelen, dringt zich ook de vraag op of het het roer nu drastisch om moet. De huidige crisis vraagt misschien niet om minder, maar om andere, wellicht zelfs meer globalisering. De trend van globaliseren, een wereld van meer openheid op het gebied van handel, in goederen en diensten, en investeringen, heeft geen gelijke tred gehouden met toezicht en regels om ervoor te zorgen dat globalisering naast het bieden van economische groei ook een eerlijk en duurzaam proces is. De roep om macro-economische stabiliteit en beter financieel toezicht betekent dat landen, waaronder nieuwe spelers, nog meer dan voorheen moeten samenwerken. Zo is er bijvoorbeeld een betere samenwerking tussen centrale banken nodig en is er voor het IMF een versterkte rol weggelegd.

De crisistijd zou dus moeten worden gebruikt als een periode van bezinning. Op de baten en lasten van het huidige financieel-economische systeem, op het duurzame karakter van de samenleving, maar ook op de vraag hoe Nederland zich in ‘een platte wereld’ staande wil houden. Als de economische malaise over een paar jaar voorbij is en de financiële onrust wegebt, welke toekomstperspectieven zijn er dan voor welvaart en welzijn en voor onze rol op het wereldpodium?

Voor een antwoord op deze vragen kwamen op 27 mei veertig denkers bijeen, van ‘Haagse’ instellingen en van denktank Prospect, een platform voor de netwerkgeneratie. Vertegenwoordigers van verschillende ministeries (Algemene Zaken, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken), de Sociaal-Economische Raad, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Centraal Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek discussieerden met jonge creatievelingen, wetenschappers, journalisten en ondernemers. De Haagse en jonge denkers verschilden vaak van mening over globalisering, maar die dialectiek leverde ook opvallende ideeën en vernieuwende voorstellen op om de positie van Nederland in de wereld te verstevigen en het vertrouwen van de bevolking in het globaliseringsproces te versterken, ook voorbij de crisis.

 

Nederland in verwarring

De herschikking van de machtsposities wereldwijd gaat ook aan Nederland niet voorbij. Als handelsnatie staan midden in het globaliseringsproces, of we dat nu leuk vinden of niet. Centraal in de publieke discussie over globalisering staan het identiteitsvraagstuk, de rol van Nederland in de wereld, en de verhouding tussen kosten en baten van het globaliseringsproces. Er lijkt een duidelijk perspectief te ontbreken: brede lagen van de bevolking weten zich moeilijk raad met het wegvallen van de grenzen. Wie heeft nog greep op de grillen van de economie, op klimaatverandering en migratieprocessen? Gechargeerd kan gesteld worden dat burgers zich alleen voelen in een ogenschijnlijk oncontroleerbare wereld.

De gevolgen van deze onzekerheid zijn fors. Om optimaal te kunnen profiteren van globalisering is de laatste decennia veel beleid gericht geweest op liberalisering, privatisering en flexibilisering. Begrippen die nu bij veel burgers en soms ook bij politici en beleidsmakers weerstand oproepen, maar die zeker in de jaren negentig gemeengoed waren. Voortschrijdende economische integratie lijkt nu in tijden van crisis de onzekerheid over de toekomst te vergroten in plaats van te verkleinen. Globalisering als trend mist daardoor als vanzelf draagvlak, ook nu de opkomst van nieuwe economieën vaak als dreiging in plaats van als kans wordt ervaren. Of dat juist of onjuist is, laten we hier buiten beschouwing. Feit is dat politici en beleidsmakers zich voor de uitdaging gesteld zien op een goede manier om te gaan met het vervelende onderbuikgevoel dat leeft onder burgers over globalisering.

De huidige crisis leert dat Nederland relatief gevoelig is voor de grillen van de wereldmarkt en het handelen van andere (grote) landen. De crisis heeft feilloos aangetoond dat de wereld inderdaad een stuk platter en kleiner is geworden. In no time na het omvallen van Amerikaanse banken stond de totale financiële sector in brand, ook in eigen land, en bleek de wederzijdse afhankelijkheid van IJsland tot Oeganda en van Japan tot Letland te reiken. De vanzelfsprekende (maar niet de enige) oplossing lijkt te liggen in een gezamenlijke aanpak van gemeenschappelijke problemen, maar er is geen wereldregering en veel landen vertonen nu protectionistische trekjes in het crisisbeleid die samenwerking bemoeilijken. Ook binnen de Europese Unie vormt het formuleren van economische maatregelen een echte uitdaging: de versplintering is soms groot.

De voordelen van globalisering raken in deze turbulente tijden soms buiten het blikveld. Waren vroeger vooral de kansen en profijten van globalisering dominant in de politieke en beleidsdiscussie, tegenwoordig bepalen de ‘losers’ en de gevaren het beeld. Zo is de mythe van de Poolse loodgieter die het werk van zijn Nederlandse collega inpikt buitengewoon hardnekkig. Giftig speelgoed en melaminemelk, intransparante staatsfondsen en mensenrechtenschendingen staan in de ogen van velen als grote struikelblokken in de relatie met China. De Verenigde Staten hebben met hun ‘neoliberale beleid’ en ‘zakkenvullende bankiers’ de financiële sector wereldwijd in de gevarenzone gebracht.

 

Bescherming gevraagd – maar is die leverbaar?

De deelnemers aan het Prospect/EZ seminar kwamen met verschillende antwoorden op de onrust die globalisering in eigen land veroorzaakt. Zo zou naast de kenniseconomie ook de diensteneconomie gestimuleerd moeten worden, omdat daarin veel meer werk voor laagopgeleiden is. Mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden als eerste geconfronteerd met negatieve gevolgen van globalisering. Het is daarom belangrijk dat er voor hen nieuwe kansen worden gecreëerd. Dit kan door de diensteneconomie veel meer ruimte te geven. Dat betekent lagere belastingen aan de onderkant, zwart werk witten, veel meer scholingsmogelijkheden voor mensen die meer willen, en andere maatregelen om lager opgeleiden nieuwe kansen te geven.

Daarnaast kwamen suggesties om meer uitwisseling tussen Nederland en Azië op gang te brengen. Want zoals de invloedrijke wetenschapper Dominique Moïsi heeft gesteld: ondanks de informatiesamenleving begrijpen we de Ander niet veel beter, terwijl die kennis de essentiële basis voor een tolerante wereld vormt. Een andere suggestie was het ‘merk’ van Nederland als handelsnatie te versterken. Verder zou bij elke beleidskeuze aandacht moeten zijn voor zowel de kansen als de bedreigingen. Een aantal deelnemers vond dat het op industriële processen gerichte denken plaats moet maken voor het uitgangspunt dat kennis, diensten en belevingen de aanjagers van de economie in de 21ste eeuw zijn. Het gaat hierbij niet zozeer om een keuze voor een industriële of een kenniseconomie, maar om het loslaten van het idee dat productiviteitscijfers ons nationale geluk bepalen.

 

 

Staatssecretaris Heemskerk reageert op de voorstellen van de deelnemers

Een opvallende – en wellicht controversiële – conclusie van een aantal jonge denkers was dat de Nederlandse bestuurscultuur nog veel te veel in het teken staat van bescherming. Als globalisering een niet of moeilijk te reguleren proces is, dan kan dat beter als een gegeven worden aanvaard. Met afscherming redden wij het niet: beter is om verstandig op globalisering in te spelen. Dat betekent heel concreet bijvoorbeeld dat de overheid ontslagbescherming dient af te bouwen, en dat bij het onderwijs jongeren minder onder de hoede worden genomen en echt hun eigen pad en verantwoordelijkheden moeten gaan kiezen. Voor kenniswerkers en talentvolle studenten kunnen de grenzen wijd open. Politici hoeven niet langer angstvallig te waken voor de ‘teloorgang’ van de Nederlandse identiteit. Principiële kwesties als de ethiek van life sciences en het verbieden van selectie aan de poort van universiteiten kunnen worden geschrapt.

Volgens de jonge denkers is het tijd voor de netwerkgeneratie to reinvent society – een proces waarin de relatie tussen samenleving en overheid fundamenteel moet worden herzien. Aan de ene kant vervagen grenzen (vooral tussen burger en overheid, tussen burger en professional), waardoor een top-down overheid steeds minder vanzelfsprekend wordt. Aan de andere kant zal de voortgaande digitale revolutie nieuwe collectiviteiten mogelijk maken, waarbij de Nederlandse cultuur ineens heel handig blijkt te zijn.

Kenmerkend voor Nederland is immers dat de kracht van het individu wordt gecombineerd met slimme collectiviteiten. Zo zijn wij kampioen pensioenfondsen; wij zorgen goed voor ons zelf (individueel belang) door intelligente collectieve regelingen. Daarnaast zijn we sociaal-economisch heel dynamisch (ondernemersgeest en maatschappij-georienteerd). Deze ‘slimme collectieve discipline’ kan veel beter dan nu het geval is worden ingezet in relevante maatschappelijke domeinen. De opkomst van digitale applicaties, die nieuwe kennis en relevantie produceren met behulp van gebruikers als collectiviteiten, is daarvoor cruciaal. Het wegvallen van top-down collectiviteitsdenken wordt zo opgevangen met wisdom of the crowds als ankerpunt in economische groei en interdependence met de rest van de wereld.

 

De mismatch van internationale samenwerking

Ook op Europees niveau en in internationale samenwerkingsverbanden brengt het globaliseringsproces tal van dilemma’s voort. Zo wordt de Europese Unie vaak gezien als een antwoord op globalisering (‘een blok tegen de rest’) maar tegelijk is zij voor veel mensen een bedreiging voor de nationale staat. Veel geloof hecht Nederland nog steeds aan het versterken van de internationale rechtsorde (een opdracht die bovendien expliciet in de Grondwet staat vermeld). Het is duidelijk dat de economische internationale ordening nog veel te wensen over laat. Maar doen we dat wel als we aanschuiven bij de G20: hoe past een informeel besloten overleg eigenlijk in die internationale rechtsorde? En vooruitstrevend milieubeleid blijkt letterlijk haar grenzen te hebben: het invoeren van de vliegtaks leidde tot vluchtgedrag van de reiziger naar Belgische en Duitse luchthavens. Moet Nederland dan maar wachten tot Europa als collectief dit soort maatregelen neemt?

Een van de belangrijkste gevolgen van dit soort dilemma’s – en vooral vanwege de verschuivende machtsverhoudingen – is dat in eigen land het vertrouwen in internationale samenwerking broos is. Op het eerste gezicht zijn de meeste burgers nog steeds groot voorstander van Europese samenwerking: de voordelen wegen voor de bevolking duidelijk op tegen de nadelen. Maar als het gaat om de uitvoering kelderen de waarderingscijfers. Slechts 28 procent van de Nederlanders heeft vertrouwen in de Europese Unie, zo blijkt uit onderzoek van 21minuten.nl dat dit voorjaar is gehouden. Expliciet zegt 51 procent van de Nederlanders géén vertrouwen te hebben in Europese politici en ambtenaren.

Kennelijk is er een mismatch tussen ratio (Europa is goed voor Nederland) en gevoel (geen superstaat). Globalisering versterkt de noodzaak tot Europese integratie, maar verzwakt (in de beeldvorming) de natiestaat en daarmee mogelijk de steun voor supranationale governance. Terwijl de grensoverschrijdende problemen ons om de oren vliegen (milieu, voedsel- en energievoorziening, veiligheid, buitenlands beleid) en spreken met één stem daardoor een harde noodzaak wordt, trekken burgers hun handen van het Europese project af. Slechts 37 procent van hen kwam stemmen bij de EP-verkiezingen van 4 juni, van wie een meerderheid steun uitsprak voor het eurokritische of zelfs anti-Europese geluid. Uitbreiding van de EU met nieuwe lidstaten en/of bevoegdheden lijkt verder weg dan ooit.



Een mogelijk antwoord op de mismatch is dat Europa een wezenlijk verhaal ontbeert. Natuurlijk is wat in Brussel gebeurt ‘complex’, maar daarom is het belang ervan nog wel uit te leggen. Zeker nu de werkzaamheden in de Europese hoofdstad ongekend politiek van aard zijn geworden, niet langer die zuiver technische exercitie voor diplomaten. Door de decennia heen heeft het Europese integratieproces verschillende fases en crises doorgemaakt, die met beleidswijzigingen of nieuwe verdragen opgelost konden worden. Maar nu is het oorspronkelijke bestaansrecht van de EU, nooit meer oorlog, wel heel ver van ons af komen te staan. Europa is grotendeels verenigd, de Berlijnse muur is weg, het doel van stabilisatie is bereikt.

Er zijn daarom nieuwe intrinsieke drivers nodig om Europa (weer) tot een succes te maken. Het is de uitdaging van de nieuwe generatie denkers hieraan vorm te geven. Economische motieven spreken niet zo aan – daar is iedereen het over eens, ook de eurokritische partijen – dus gekeken zal moeten worden naar andere thema’s. Goede kandidaten zijn milieu, energie, duurzaamheid of vrijheid, een aantal daarvan sprong er ook uit bij de 60.000 deelnemers van 21minuten.nl. We vergeten in ons continent wel eens hoe de ‘buitenwacht’ Europa bekijkt: als een vrijhaven van welvaart, voorspoed en ongekende individuele vrijheden, in een samenwerkingsmodel dat vele landen aanspreekt. Het is de hoogste tijd die buitenblik naar binnen te halen, en Europese samenwerking zodanig vorm te geven (en politiek te maken!) dat zij geen bedreiging maar een waardevolle aanvulling vormt op het instituut van de natiestaat.

Enkele deelnemers gingen nog veel verder in hun voorstel om het vertrouwen in de EU terug te winnen: door die uit te breiden met Rusland en de Verenigde Staten. Zo zou een hele ‘middenband’ van de wereld tot Europa gerekend kunnen worden, waarin veel problemen vanzelf zouden verdwijnen.

Een sterk pro-Europees geluid is controversieel, getuige de uitslag van de recente Europese verkiezingen en de opiniepeilingen die aantonen dat de Nederlander maar weinig vertrouwen heeft in de EU. Maar een krachtige betrokkenheid bij het Europa-project biedt juist een kans om met creatieve voorstellen en ambitieuze doelstellingen weer tot de koplopers binnen Europa te behoren. Dan is de EU meer een middel om de Nederlandse visie op de (inrichting van de) wereld actief uit te dragen.

Hetzelfde geldt voor andere multilaterale instellingen, primair de financiële. Daar is het creëren van draagvlak minder aan de orde: het gaat meer om belangstelling te kweken voor de vraag welke rol Nederland wil en kan spelen in het verstevigen of veranderen van de wereldwijde (economische) architectuur. De crisis heeft aangetoond dat er een fundamenteel gebrek is aan checks and balances op het financieel-economische vlak en dat in de toekomst een echte systeemcrash kan plaatsvinden, als nu geen structurele maatregelen worden genomen. Deze tijd is dus een kans – en een verplichting – om die architectuur structureel te veranderen. Gelukkig zijn er inmiddels initiatieven genomen, zoals de vervanging van de westerse G8 door de meer mondiale G20 als forum waar de lijnen voor de wereldeconomie worden uitgezet. Ook spannen diverse landen zich duidelijk in om een herhaling van de huidige crisis te voorkomen en het globaliseringsproces in duurzamere banen te leiden.

Voorstel van de Prospect-denkers is om Nederland een actieve rol te geven in deze fundamentele herziening van de wereldconomie. Zo zouden nieuwe taken ingesteld moeten worden inzake monetaire assistentie, is een betere beoordeling van macro-beleid en maatregelen van overheden nodig en moeten toezicht en regelgeving effectiever in lijn worden gebracht. Verder zouden de ‘keuzes van de wereld’ zich niet meer in dwingende regels moeten vertalen, maar is het beter om te streven naar global standards die op basis van principes zijn geformuleerd. Dat is een meer realistische strategie dan een jarenlange lobby voor harde afspraken.

Andere ideeën die de discussie over het multilaterale kader opleverden waren de mogelijke herziening van de dominante rol van de dollar als reservevaluta, het ‘ontwesteren’ van het bestuur van de internationale financiële instellingen en de opstelling van een nieuw handvest, een internationaal Charter for Sustainable Economic Activity, om de globalisering niet alleen economische, maar ook sociale en milieubelangen te laten dienen.

 

Nederland als sustainability valley

Zijn er, tenslotte, antwoorden op globalisering vanuit het bedrijfsleven? Ook de private sector worstelt met tal van dilemma’s binnen het globaliseringsproces. De BRIC landen zijn immers behalve leverancier en off-shore paradijs ook steeds meer concurrenten – zelfs in hoger geschoolde activiteiten. Moet Nederland doorgaan met incrementeel beleid maken, of is radicaal beleid nodig om structureel competitief te blijven? Is intellectueel eigendom eigenlijk nog wel te beschermen tegen de Aziatische copy-paste cultuur? Hoe moeten bedrijfsstructuren zich aanpassen aan een ‘platte wereld’? Hoe moet volgens het bedrijfsleven de overheid optreden, met sterk top-down beleid om globalisering aan te gaan (bescherming), of juist door het innemen van een achtergrondpositie met slechts een faciliterende rol van bottom-up processen (vertrouwen en zelfredzaamheid)?

Dit zijn moeilijke kwesties waarvoor nu nog geen pasklare antwoorden zijn te geven, behalve grondig giswerk. Gezien de huidige crisis en de fase van het globaliseringsproces (econoom Richard Baldwin denkt dat we op slechts een kwart van een ‘globaliseringsgolf’ zitten) zijn strategieën en duidelijke keuzes soms lastig haalbaar. In deze tijd past bezinning en beschouwing op alle transities, waarbij zowel het bedrijfsleven als de overheid de eigen rol (en de realiteit) in ogenschouw moeten nemen.

Niettemin kwamen de denkers van Prospect en het Haagse beleidsnetwerk met een aantal concrete suggesties die het overwegen waard zijn. Uiteraard werd gepleit voor verdere specialisatie van economische sectoren in Nederland (bijvoorbeeld de creatieve sector), om een voortrekkerspositie te blijven behouden in de mondiale concurrentieslag. En het reeds gevoerde beleid om Nederland tot een aantrekkelijke vestigingsplaats voor multinationals te maken zou moeten worden verstevigd door te concurreren op ‘zachte factoren’.


Opvallend was de discussie over bescherming van het intellectueel eigendom. Bij westerse overheden staat die voorop en worden kosten noch moeite gespaard om onder meer via de WTO en de EU naleving van de beschermingsregels af te dwingen. Van de zijde van sommige bedrijven werd juist gepleit voor het accepteren van schendingen van octrooien en patenten. ‘Werkt het beschermen van onze merken, rechten en ontwerpen met ingewikkelde constructies nou echt?’ vroeg een deelnemer zich retorisch af. ‘Is het geen veel beter idee de kennismarkt open te gooien en te delen? We moeten vertrouwen in de eigen voorsprong.’ Een ogenschijnlijk logisch, maar voor beleidsmakers radicaal standpunt – want zij zijn al jaren bezig om het intellectueel eigendom te redden.

Een ander sterk geluid ging over de toekomstige positionering van Nederland als sustainability valley. Willen we de positie van handelsland behouden, dan moeten de comparatieve voordelen worden behouden. Er ligt hierin een unieke kans om het land te presenteren als een duurzame vallei onder de waterspiegel. Nederlandse bedrijven excelleren internationaal in het bedenken van alternatieven voor schaarse grondstoffen, het onderzoeken en toepassen van duurzame energiebronnen, het invoeren van het cradle-to-cradle concept en andere groene thema’s. Realisatie van deze sustainability valley kan getrokken worden door de overheid (en ook gestimuleerd door bijvoorbeeld duurzaam inkoopbeleid), maar de inzet van bedrijven (die verder gaat dan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) is onmisbaar, evenals die van de civil society.

 

Welvaart en welzijn – maar waar is de hoop?

Globalisering is een gegeven waar we niet omheen kunnen, maar mits goed voorbereid is dit proces voor Nederland voordelig. Dat is in essentie de gedachtegang van de veertig denkers die denktank Prospect en Economische Zaken bijeenbrachten. Hun visies liepen soms danig uiteen. Maar zij complementeerden elkaar ook weer: de Haagse denkers kregen meer oog voor aspecten van globalisering ‘uit het veld’ en de Prospecters voor de beleidsdilemma’s die de wereldwijde economische integratie oplevert. Meer aandacht dus voor de menselijke aspecten en de nadelen van globalisering, maar ook voor de beperkingen die de Nederlandse overheid heeft in haar mogelijkheden tot bijsturen.

Dominique Moïsi ziet in het proces van verschuivende machtsverhoudingen een duidelijke driedeling in de wereld. De Aziaten laten zich leiden door Hoop, de Westerlingen door Angst, de Arabieren door Vernedering. De Singaporese wetenschapper Kishore Mahbubani maant het Westen in vergelijkbare termen tot acceptatie van een nieuwe wereldorde: wij zouden de Aziatische renaissance moeten verwelkomen in plaats van ons af te sluiten.

Er is genoeg besef van die machtsverschuiving binnen en buiten Nederland, maar het ontbreekt ons vooralsnog aan antwoorden. De overheid, de politiek en het bedrijfsleven zijn opvallend stil, in een tijd dat inspiratie en visie juist hard nodig zijn. Hier ligt een taak voor overheid en bedrijfsleven om een aantrekkelijk perspectief neer te leggen waardoor Nederland als een partij achter het globaliseringsproces gaat staan. Het is op zijn zachtst gezegd verrassend dat er zo weining visie en steun is voor een proces wat ons sinds de Gouden Eeuw zoveel welvaart en welzijn heeft gebracht. De denksessie van Prospect en EZ leverde in ieder geval een reeks dilemma’s en (radicale) voorstellen op die zeker uitwerking behoeven, zoals het opzetten van een sustainability valley, stoppen met overmatig beschermen van burgers en bedrijven, loslaten van intellectueel eigendom, en reinventing society. Voorbij de crisis gaat Nederland een kansrijke periode tegemoet in de wereld. Want het globaliseringsproces verplicht ons allerminst ook de Hoop te offshoren.

 

Reageren kan via info (at) denktankprospect.nl

Kernpunten van globalisering in Nederland....

•    Geen vooruitziende blik, afwachtende houding van ondernemers, politiek en publiek. Perspectief en visie ontbreken
•    Identiteitscrisis wordt verbonden met globalisering en Europese integratie
•    Overheid verliest macht, moet tegelijk globalisering ‘oplossen’ en beschermen
•    Onduidelijk welke rol Nederland in de 21ste eeuwse wereld heeft te spelen
•    Eerdere ‘aanpassingsmaatregelen’ leidden tot onrust
•    Trend is nu: beschermen, niet opengooien
•    De verliezers en de gevaren bepalen het beeld
•    Industrieel denken (nadruk op productiviteit en concurrentie) domineert
•    Globalisering wordt als schuldige aan de crisis gezien, niet als brenger van het huidige welvaartspeil
•    Internationale financieel-economische processen lijken onbestuurbaar geworden, gaat global governance ons redden?
•    Meerdere crises zijn aan globalisering gekoppeld, met name de energie- en de klimaatcrisis
•    Intellectueel eigendom staat onder druk door copypaste-gedrag in Azië
•    Onduidelijk of incrementeel of radicaal beleid nodig is
•    Ook hoogopgeleiden kunnen tot de verliezers behoren
•    Moet de overheid top-down blijven besturen, of veel meer bottom-up processen faciliteren?

...en oplossingen om het globaliseringsproces te kanaliseren

•    Stimuleer dienstensector naast kenniseconomie
•    Minder beschermen, omdat dat niet kan en slechts schijnzekerheid biedt
•    Overheid trekt zich drastisch terug en laat het formuleren van oplossingen veel meer aan civil society en het bedrijfsleven over
•    Niet actief steunen van de identiteit
•    Kansen vergroten om van Nederland de sustainability valley van Europa te maken
•    Veel meer uitwisseling tussen Azië en Nederland/Europa
•    Gelijke aandacht voor kansen en bedreigingen bij elke beleidskeuze
•    Niet vasthouden aan intellectueel eigendom en open source stimuleren
•    Actieve lobby van de netwerkgeneratie to reinvent society
•    ‘Slimme collectiviteiten’ als antwoord op het te brede keuzepalet
•    Principiële kwesties als life science laten varen
•    Structurele herziening van bedrijfsprocessen
•    Zoektocht starten naar intrinsieke drivers voor Europese integratie, als vervanging voor het oude verhaal ‘nooit meer oorlog’
•    Nederland wordt veel actiever in de EU en een van de koplopers om de eigen visie op de wereld uit te dragen
•    Nederland werkt hard aan het opzetten van geloofwaardige global governance op basis van principes in plaats van regels
•    Verdere specialisatie van economische gebieden
•    Concurrentie op ‘zachte factoren’ voor vestigingsklimaat
•    Streven naar een ‘zinsgevingseconomie’ waarin een lagere materiële welvaart acceptabel is